Bloesem in bloei

Bloei

De Betuwe in bloei. Hét teken van de lente. Begin april de pruimen en de kersen, steenvruchten met witte bloesem, dan vanaf half april de pitvruchten: de peren met witte bloesem en de appels met roze of witte bloesem. Eind mei is het bloesemsprookje voorbij, maar dan ligt er een wit kleed van fluitenkruid langs dijken en over velden.

Bloesemtijd is dé tijd voor dagjesmensen om naar de Betuwe te trekken. En Nederland komt in grote getale. Met de bus, met de auto, op de motor, fietsend, skatend of wandelend. Jaarlijks hoogtepunt: de Rode Kruis Bloesemtocht vanuit de veiling in Geldermalsen op de derde zaterdag van april. Alle inwoners van de Betuwe, fruitteler of niet volgen, met spanning het weer. Gaat de bloesem op tijd open? Blijft ze lang aan de bomen of eisen wind en regen hun tol? Want iedere Betuwnaar wil, dat als Nederland afkomt op de Betuwe in bloei, deze op haar allermooist is.

Al die bloesempracht doet vergeten waar het eigenlijk om gaat: bevruchting en voortplanting. Twee maanden lang is heel de Betuwe toneel van het verhaal van de bloemetjes en de bijtjes in de praktijk. Maar wie staat daar bij stil? De toerist niet, wél de fruitteler. Zijn boterham hangt af van bestuiving via de wind en daar bovenop al dat gedoe van de bijtjes bij zijn bloemetjes. Hij doet er dan ook alles aan om zoveel mogelijk bijen en andere voor bestuiving nuttige insecten actief te krijgen in zijn boomgaard. Zij dringen diep binnen in de bloesem. Met de wind meegevoerd stuifmeel, blijft aan de oppervlakte.

In de tijd van de hoogstambomen werden verschillende soorten bomen door elkaar geplant. Hoe meer variatie, hoe meer bestuiving.

Tegenwoordig moet de teler het anders aanpakken. Want in de huidige tijd is de productie gericht op grote partijen van dezelfde soort, dezelfde grootte, dezelfde leeftijd. Dat is nodig voor de bewaring en voor de afzet. Dat betekent: zo groot mogelijke blokken van dezelfde soort bomen.

Om bestuiving te bevorderen wordt om de zoveel rijen hoofdras ook een ander ras geplant dat dient als bestuivingsras. Voor bestuiving van kersen is menging van rassen nog belangrijker dan voor ander fruit.

Om het proces van ‘de bloemetjes en de bijtjes’ (en andere insecten!) zo goed mogelijk op gang te krijgen, staan soms sierappels tussen de appels met als doel deze te lokken om hun bestuivingswerk te doen.

Het meest simpel is natuurlijk bijenkorven in de boomgaarden plaatsen. De ene teler heeft die zelf, de andere huurt die van imkers. De korven worden pas neergezet wanneer er voldoende bloesem open is. De bijen vliegen dan meteen op de fruitbloesem af en blijven daar tot het einde van de bloeiperiode. Zou er onvoldoende bloesem zijn, dan zoeken de bijen hun heil elders en ziet de teler ze voorlopig niet meer terug in zijn boomgaard.

De teler heeft zijn best gedaan. Opnieuw is hij voor het resultaat afhankelijk van het weer. Als de bloesem verregent, geeft dat slecht fruit, dat meteen ‘in de kroet’ kan. Blijft het te koud, dan is dat slecht voor de bestuiving. Want de heren werkbijen trekken er pas op uit bij een behaaglijk temperatuurtje. Bij mooi weer, zo rond de klok van tien, elf uur. Bij koud weer blijven zijn binnen. Als zo’n koude periode samenvalt met de periode die het meest geschikt is voor de bevruchting, kan dat een enorme strop betekenen.

Niet alleen de teler heeft belang bij bevruchting, moeder natuur zelf ook. Die heeft nog één troef achter de hand. De bloesem komt als eerste aan het twee- en drie-jarig hout; pas een, twee weken later aan het eenjarige. Zou de bevruchting van de eerste bloesem mislukken, dan is er met de tweede lichting aan het nieuwe hout een herkansing. Mooi geregeld, want bevruchting, daar draait het om in de natuur. Ook als de natuur in cultuur is gebracht en fruitteelt is geworden.

Laat een reactie achter.

Verzorgd door Betuwe Promedia | Deadline Theme : An AWESEM design